De zon stuurt haar warme stralen naar de aarde, waar de mens de gouden lansen verkleumd omarmt in een poging de zomer vast te houden…
Plagend dartelt een lichte bries rond, op zoek naar wat uitdaging. Al snel is het windkind verwikkeld in een schommelspel met blonde lokken. De vrouw lacht, schudt haar haren los en leunt dan met een haast onhoorbare zucht achterover in de tuinstoel. Een klein geluidje waaruit voldoening spreekt. Het gouden licht liefkoost haar huid en tovert vlammen van oranje en rood op haar oogleden. Een diep verlangen om altijd zo te kunnen blijven zitten golft door haar heen.
Op de achtergrond geluiden van een ander leven, een jachtig leven. Auto’s trekken op, een motor knettert in de verte. De sirene van een ambulance ploegt een pad van wanhoop door de omgeving. Wat zou gebeurd zijn? Dan leidt de stem van de buurvrouw haar weg van deze neerslachtige gedachte. Of ze nog koffie wil. Maar nee, deze vraag met ingesloten aanbod is niet voor haar bestemd. Getik van hakken kondigt een nieuwe indringer in haar stilte aan, maar de dreiging gaat voorbij zonder hoorbare gevolgen. Rust daalt neer als een sluier van welbehagen.
Wat lijkt de herfst nog ver weg op deze beschutte plek. Ze huivert even bij de gedachte aan striemende regen die een spoor van kilte achterlaat. Aan de wind, nu nog teder, maar later koud, krachtig, doordringend tot merg en been. Wanneer de zon verborgen wordt achter een deken van wolken. Een deken die geen warmte biedt. Aan bladeren die zich wanhopig met vingertoppen aan hun tak vastklemmen maar altijd de strijd verliezen, om doornat en vertrapt op de grond te belanden.
De ogen van de vrouw vliegen open en schitteren in een lichte paniek. Nee! Hoog boven haar strekt een hemelsblauw gewelf zich uit tot aan de horizon. De zomer is nog niet weg. Gerustgesteld strijkt ze met haar vingertoppen over de grond en verzamelt langzaam de flarden van haar gemoedsrust weer bijeen. Ontspant.
Dan verandert een terloopse blik opzij in een geconcentreerd turen. Ziet ze het nou goed? Op de plek waar een Indiase schone een rode stip schildert, zit een stippelbeestje als een bindi op het tuinbeeld. Een kevertje, gezonden door een lieve heer. De felle kleur contrasteert sterk met het zwart en de blik van de vrouw wordt onweerstaanbaar naar dit derde oog getrokken. Ademloos blijft ze kijken en ziet hoe het beeld tot leven komt, zich met haar koesterend in het nazomerlicht. Tengere hals kwetsbaar en daardoor sterk. Een glimlach verbindt de twee vrouwen – de een van steen, de ander van vlees en bloed – en samen heffen zij het gelaat naar de zon.




Na zo’n paar honderd meter kom ik aan de Geleenbeek en steek bij het brugje over. Ik sta even stil en kijk naar de beek die zich meanderend een weg baant door het prachtige landschap dat gesierd wordt door oude en jonge bomen aan weerszijde van de beek. Stil geworden van zoveel schoonheid geniet ik intens en in gedachten verzonken vervolg ik mijn weg.
Bijna aan het einde van het Laervoetpad ligt rechts de oude boerderij van boer Laeven. Aan de linkerzijde staat een prachtige oude appelboom die zolang ik mij kan herinneren – en dat is 69 jaar – er altijd gestaan heeft. In vroegere tijden had hij een mooie kruin. Tijdens warme zomers zochten koeien er dikwijls verkoeling onder. Menige mand werd door boer Laeven met de heerlijke appels gevuld en vervolgens aan de man gebracht.
Nu, in de herfst van zijn appelboom-bestaan, heeft hij een kruin waar een niet al te grote vogel met een beetje geluk nog een schaduwplekje kan vinden. Getekend door de tand des tijds staat hij daar, een beetje gebogen maar nog steeds met een kruintje waarmee hij met enige trots toch nog een kleine bijdrage levert. Geen manden meer zoals in vroegere tijden… Maar boer Laeven is een boer naar mijn hart, die respect toont voor deze trouwe boom die hem zo vele jaren zoveel vruchten schonk.
Hier loop ik, door weiden en akkers omgeven in een vredige rust door het landschap. Zo af en toe zie je een landarbeider die bezig is met onkruid wieden en een torenvalkje dat speurend naar een prooi plots naar beneden schiet om zijn prooi te grijpen. Bijna aan het einde van de veldweg kom je bij een begroeiing die bestaat uit hagen en oude bomen die tesamen een holle weg vormen. Als je goed kijkt tref je nog sporen aan van dassen die hier in hun burchten wonen. Van al deze natuurlijke schoonheid raak ik geëmotioneerd. Ik loop met tranen in mijn ogen verder, genietend van deze enorme schoonheid.
Vrolijk fluitend – of zingend – vervolg ik dan mijn weg. Even verderop ligt de eeuwenoude hoeve Terlinden waar sinds generaties boer Roebroek woont. Ik steek de brug over de snelweg over en krijg de vieze uitlaatgassen in mijn neus.
Gelukkig loop ik na een tiental meters weer onder een haag van groene frisse bomen. Bij de T-splitsing sla ik linksaf de Klinkertstraat in. Links van mij schittert de Droomvijver als een grote parel in de glanzende zon.









