Geplaatst in Zeswoordverhaal-uitdaging

Zeswoordverhaal: Parkeren

Het nieuwste thema van de schrijfuitdaging voor het zeswoordverhaal is: PARKEREN. Laat je fantasie en creativiteit de vrije loop!

Parkeren is het laten stilstaan van een voertuig, niet zijnde een (brom)fiets, langer dan nodig is voor het (onmiddellijk) laten in- en uitstappen van passagiers of voor het (onmiddellijk) laden en lossen van goederen. Parkeren is normaliter het sluitstuk van een rit, tocht of vlucht (ook vliegtuigen en schepen parkeren).

Parkeerplaatsen zijn onderdeel van de verkeersinfrastructuur en worden in bijna alle landen aangeduid met de letter P.

In Duitsland heb je speciale vrouwenparkeerplaatsen. Nee, dat zijn geen extra brede plaatsen, maar plekken die

  • als zodanig gemarkeerd dienen te worden;
  • in de nabijheid van de entree moeten liggen;
  • zich in het zicht van de garagebewaker of videocamera’s dienen te bevinden en dat trappenhuizen en liften met een alarminstallatie in de directe nabijheid moeten zijn uitgerust.

Je vindt ze soms ook in Nederland bij hotels en in grote parkeergarages.

200212parkeren3

 

klik!

Hier een voorbeeld van een zeswoordverhaal, geschreven door Ernest Hemingway.

SixWordStory

Een paar woorden, maar een heel verhaal erachter…

Publiceer jouw zeswoordverhaal met bijpassende foto of afbeelding op je eigen website/blog en plaats de link naar jouw post in een reactie hieronder. Ik vermeld je vervolgens in dit bericht.

Veel schrijfplezier!
Marion

vulpen

LEES DE VERHALEN OVER PARKEREN IN ZES WOORDEN VAN:

Wie volgt?

:)


De volgende zeswoordverhaal-met-beeld-schrijfuitdaging wordt gepubliceerd op woensdag 26 februari 2020. Als je een leuk idee voor een thema hebt, mag je me altijd mailen.

Doldriest fotografie 6WMB

 

← klik voor het archief van de zeswoordverhaal-uitdagingen. Wellicht zit er iets van je gading bij? En hier vind je meer uitleg over het zeswoordverhaal met beeld.

Geplaatst in Doldriest briest

Hoe kleine auto’s groot kunnen lijken

De straat is smal. Eenrichtingsverkeer, met kamikazefietsers die alle kanten op schieten. Het is druk, de lentezon is onweerstaanbaar. Een peuter staat met zijn neus tegen de etalage gedrukt. Zoveel speelgoed, net niet binnen handbereik. De moeder gunt hem een paar momenten van zoet verlangen en loopt dan verder. Dan wordt hun schaduw opgeslokt door een grote zwarte rechthoek. De vrachtwagen blokkeert niet alleen de zon.

Een Twingo komt langzaam voor me tot stilstand, aarzelend. Hij valt haast in het niet bij het enorme gevaarte voor zijn neus. In het midden van de weg bepaalt de chauffeuse stationair haar positie. Twee minuten later komt er weer beweging in en wordt het accent iets naar rechts verlegd. Staat ze nou op iemand te wachten of…? Mijn geduld verliest het van mijn agenda en ik manoeuvreer om haar heen. De straat is smal, maar niet zó smal.

In een bedaard drafje rijd ik langs de vrachtwagen en kijk op naar de chauffeur, die op zijn gemak een shagje draait in zijn cabine. Zijn gebruinde arm rust in het open raam, hij weet van de prins geen kwaad. Ik wacht, en zie dan in mijn spiegel het snoetje van de Twingo verschijnen. De voorruit omlijst een ander, strak gespannen snoetje. Toe maar, mompel ik, als mijn auto erlangs kan, kan die van jou het ook! 

En daar komt ze! Met een glimlach rijd ik verder. Wij Twingo-rijders steunen elkaar.

140415

 

Geplaatst in Avans, Columns

Vol maar Veilig

Als ze de hoek om komt, ziet ze de rij al staan. Een sliert metalen kooien vol ongeduld wacht dampend tot de slagboom open gaat. Schokkerig trekt de kleine file steeds een stukje verder op. Als ze wil aansluiten, doemt in haar spiegel een grote bus op die vol bas claxonneert. Met een dot gas verder naar het Amphia, maar ook daar geen warme ontvangst. Vandaag kan Avans geen gebruik maken van die parkeerplaats. De minuten tikken meedogenloos verder, richting aanvang van de lessen. Ze rukt driftig aan haar stuur en rijdt naar de voorkant van de school, opgehouden door drie onwillige stoplichten. Dan maar het noodparkeerterrein op. Daar vindt ze dan eindelijk een mooi plekje. Mooi, denkt ze. Tot ze haar auto nog even wil verzetten. De wielen slingeren zand en steentjes in de rondte, maar wijken nog geen centimeter. Ze staat vast, de banden weggezakt in een kuil. Onder het mompelen van een verwensing haast zij zich naar de ingang. 

131002-1

Met de blauwe noodlokalen op het parkeerterrein van de Hogeschoollaan en de verbouwing aan de Lovensdijkstraat krimpt het aantal parkeerplaatsen in Breda. Het wordt steeds moeilijker om een plekje te vinden, als je het terrein al op mag. Het parkeerprobleem bij Avans wordt steeds groter en waaiert uit door de wijk. Discussies laaien hoog op onder studenten, medewerkers en buurtbewoners en men zoekt naar oplossingen. Openbaar vervoer? Je zit bijna op schoot bij je medereizigers, en dan heb je nog geluk dat je in de bus past. Carpoolen? Moeilijk realiseerbaar vanwege wisselende aanvangstijden, maar zeker het uitzoeken waard. Zoveel mogelijk op de fiets komen dan? Zelfs hier wordt het parkeerprobleem merkbaar: de stallingen puilen uit en fietsen worden vastgesnoerd aan palen en bomen.

131002-2

Word ik hier zomaar aan de kant gezet? Verroest!

Te laat komen doordat je je auto niet kwijt kunt is zeker vervelend. Met een zware tas door de regen lopen is ook naar. Gemopper en irritatie alom. Maar die irritatie verbleekt en verstomt bij het nieuws over Nigeria, waar vorige week tientallen studenten zijn gedood in de slaapzalen van hun universiteit. Een terreurorganisatie die tegen westers onderwijs is en het daarom nodig vindt studenten neer te maaien in hun slaap. Klaslokalen en onderwijs gaan in vlammen op. Is het dan zo erg dat we een stukje moeten lopen om bij onze school, ons werk te komen? Dat we creatieve oplossingen moeten zoeken? Het is vol, maar wel veilig bij Avans. In meer dan één opzicht.

Geplaatst in Columns, Humor, Korte verhalen, Persoonlijk

Gewoon bij Albert Heijn

Fel rode achterlichten branden een gat in mijn waas van werk-gedachten. Er staat zowaar een file in ons dorp! Een heel korte weliswaar, maar toch. Gelaten sluit ik achteraan en probeer uit alle macht de rotonde niet te blokkeren. Het lukt net. Voor en achter mij scheren fietsers rakelings langs. ‘Kom op’, mompel ik, ‘rijd even iets verder door?’ Tergend langzaam rollen de wielen nog een meter naar voren, maar dan sta ik vast. De neus van mijn vehikel snuffelt aan de kont van haar voorganger, de trekhaak akelig dichtbij.

Aan mijn rechterhand ontwaar ik mijn bestemming. Op het kleine parkeerterrein is het een komen en gaan van klanten met blauwe karretjes, volgepropt met kinderen en boodschappen, van auto’s en fietsers. De man met de straatkranten slaat alles zwijgend gade, zijn donkere ogen ondoorgrondelijk. Bij een geopende laadklep staan twee vrouwen geanimeerd te praten; iets verderop hetzelfde tafereel, maar dan met zijn vieren.

Dan priemen blauwe koplampen in mijn binnenspiegel en voel ik de adem van een nieuwkomer in mijn nek: een grote SUV. Geïrriteerd getoeter. Geflits. Wel ja, kom maar hoor, rijd maar gewoon over me heen? Ik adem uit. Twee auto’s verder gooit iemand zijn bolide naar links de weg op, moe van het wachten… en ontwijkt ternauwernood een auto van de andere kant. Tussen mijn vingers door zie ik hoe ze elkaar net niet raken. Met woedende gebaren stuift de tegenligger de vrijheid tegemoet. We schuiven allemaal een plaatsje op.

Langzamerhand stroom ik ook vol met adrenaline. Waarom rijdt die eerste auto niet verder het terrein op? Of gewoon de zijstraat in? Of in deze straat rechtdoor? Ziet hij dan niet dat achter hem alles vast staat? Gossamme! En kunnen die dames alsjeblieft ergens anders gaan ouwehoeren? Weer rijdt er een auto weg van Albert Heijn, maar in onze file geen beweging. Gaat hij nou echt staan wachten tot er een betere plek vrij komt?! Ik klem mijn kaken op elkaar. Rustig blijven. Misschien heeft hij de vrije plek niet eens gezien.

Inmiddels staat in beide richtingen een file. Men wacht om af te slaan. Of staat verderop in de straat klem achter geparkeerde auto’s. De hele weg zindert van de spanning. Deuren gaan open en verhitte discussies breken los. Getver, hier komt nog ruzie van. Eindelijk ben ik bij de hoek, maar word dan geblokkeerd door een klein autootje dat schuin midden op de zijweg staat, de neus richting parkeerterrein. De vrouw staart dromerig voor zich uit, zich niet bewust van de chaos die ze mede veroorzaakt. Ik wacht even. Druk dan licht mijn claxon in om haar wakker te schudden, maar geen reactie. Ik wacht nog langer. Secondes lijken minuten. ‘Laat me langs, laat me LANGS’, sis ik vertwijfeld, terwijl ik naar de bestuurder achter mij gebaar dat ik er nog steeds niet door kan.

Net als ik voluit op de claxon wil timmeren, rijdt er weer een vehikel weg, waarop het rode autootje langzaam verder naar rechts sukkelt. Ik geef gas en schiet rechtdoor de vrije zijstraat in. Naar het piepkleine parkeerterrein aan de achterkant. Of nog verder. Liever een stukje lopen dan meedoen aan deze chaos. Jippie, in het hoekje is nog een gaatje. Ik parkeer achteruit, grijp mijn tas en marcheer de supermarkt binnen. Wat een gedoe hier ook altijd!

Een kwartier later loop ik met een tas vol boodschappen weer naar buiten, mijn gedachten al bij het avondeten. Ik kijk nog eens vol medeleven naar de wachtende, geïrriteerde automobilisten en begeef mij naar de achterkant van de supermarkt. Naar hui… Wat is dat nou? Een beige Volvo van zowat tien meter lang staat naast mijn auto geparkeerd. Nou ja, geparkeerd, de neus staat nog ruim twee meter van de muur af. En de achterkant blokkeert daarmee geheel mijn uitweg! Sputterend en briesend van verontwaardiging loop ik naar mijn auto, zet de tas met boodschappen achterin en kijk om me heen. Zal ik naar binnen lopen – ik trommel geërgerd op het dak – of zal ik…

Dan laat ik me achterover in mijn stoel zakken. Is het echt nodig me zo op te winden, is dit echt zo erg? Ik grijp een boek van de achterbank en ga rustig zitten lezen tot de bestuurster van de Volvo-slee verschijnt. Ik kijk haar even aan. Muts! Maar ze heeft mij een bonus geschonken: een kwartier rust… gewoon bij Albert Heijn.