Geplaatst in Algemeen

Kaatje kapot!

Een doodgewone zaterdag in Breda. Het is druk in de stad. De winkels hebben hun deuren uitnodigend wijd open staan en overal zie je mensen. Een vrouw stapt stevig door, kijkt niet op of om. Twee anderen staan gezellig te kletsen. Een paartje slentert  innig gearmd voorbij, verloren voor de rest van de wereld. Baby’s kraaien in hun buggy, gekleed in vrolijke kleuren. Op de hoek van de straat worden stoere verhalen uitgewisseld, begeleid door sprekende gebaren.

Blij loop ik naast Vman terug naar de auto, een boek rijker: Terry Goodkind’s The Law of Nines . Ik geef Vman mijn autosleutel. Rotrug! Het kreng heeft besloten de zenuw naar mijn linkerbeen te boycotten. Aangezien de singel is afgesloten, glippen we – als insiders – via een snelle sluiproute naar huis.

“Wat een rook achter ons!”

Ik zie niks, zit lekker naar buiten te kijken en zing mee.

“Mar, zie jij aan jouw kant ook rook? Let eens op?”

Vluchtig werp ik een blik door het raam aan de rechterkant, en schiet overeind. ROOK!! Een auto claxonneert naar ons, de bestuurster gebaart naar mij. We laten tegelijk het raampje zakken en ik gil: “Ik weet het, we zijn bijna thuis.”. Ze wenst ons succes en we rijden door.

“Uhm, moeten we niet stoppen?”

“Nee, we rijden voorzichtig door naar huis.”

Er komt inmiddels ook rook bij mijn voeten naar binnen. De paniek slaat toe.

“STOP! HIER! NUUUUUU!”

Vman schiet een bushalte op en ik vlucht – inwendig half hysterisch, van buiten redelijk beheerst – de auto uit. Duik dan weer naar binnen om de motorklep los te koppelen, rugpijn even vergeten. Rook slaat ons tegemoet en mijn hart zit ineens ergens in mijn keel. Ik grijp mijn gsm en bel de garage. De kalme stem van Frans vertelt mij dat ze gesloten zijn. Frans, hoe kun je me dit aan doen, neem op aaaargh.

“Vman, ik bel de ANWB!”

“Nee joh, we zijn er bijna.”

Het zweet staat in mijn handen, dadelijk gaat mijn lief Kaatje in vlammen op. Maar nee, we stappen weer in en rijden in een slakkengang verder. Naarstig speur ik naar eventuele vlammen, maar gelukkig laten die zich niet zien… nog niet tenminste. Ik zit klaar om bij de minste roodgele gloed uit mijn Ford te duiken… midden op de rondweg. Maar goed dat ik niet achter het stuur zit, anders had ik Kaatje op een zeer onorthodoxe plek geparkeerd. Ergens waar geen parkeermeters zijn.

We naderen mijn huis, als – omringd door plagende rookflarden – ineens een lampje rood opgloeit. Goh, dat ding heeft wel op zich laten wachten zeg. Misschien volgende keer iets eerder een seintje geven dat iets niet in orde is? Nu wordt zelfs Vman lichtelijk ongerust en parkeert de auto in een zijstraatje. Binnen twee seconden sta ik ernaast, met bonkend hart en trillende handen.

Weer die motorkap open. Ik moet meekijken – supertechneut die ik ben – en zie de walm opstijgen vanuit een wirwar aan draden en kabels.

“Wat zit hierin?”, vraagt mijn partner me.

“Geen idee, maar hier zit ruitensproeivloeistof in!”, terwijl ik triomfantelijk op een klepje bij het raam tik. Nu we ongeroosterd dicht bij huis zijn, zakt de spanning een beetje en krijg ik weer wat praatjes. Vman checkt de olie, rukt wat gele dekseltjes van containers en kijkt me iedere keer vragend aan. Ik knik bemoedigend terug maar houd wijselijk mijn mond.

“Volgens mij is de koelvloeistof op,” zegt hij, “heb je die nog in de schuur staan?”

Nu ben ik een mens van voorraden. Kom maar gerust onverwachts binnenvallen, ik heb altijd eten in huis. Ook WC papier, pluggen en chips worden op een hoog peil gehouden. Maar koelvloeistof?! Een blik op mijn gezicht is voldoende. Geen koelvloeistof dus, maar wel water? Wegens verplichte antivries-ingrediënten schijnt dat echter geen optie te zijn.

We doen de motorkap pas weer dicht als de rook besluit het op te geven. Ik geef mijn Kaatje een aai over haar ronde dak en fluister haar toe dat ze dapper moet zijn.

“Wacht op me, trouw ding, ik kom je maandag redden hoor!”.

Mijn arme Kaatje kapot!