
klik voor details
Roomboter, ze proefde het meteen! Die volle zoete smaak, de romige nasmaak. Hoewel het jaren geleden was dat ze het voor de laatste keer gegeten had, herkende ze het nog steeds. Genietend sloot ze haar ogen. Haar paranoïde smaakpapillen hielden haar vast voor de gek. Toen ze haar blik weer op sloeg, keken twee ogen haar vragend aan.
“Hoe is het?”
“Het lijkt wel of de champignons in roomboter gebakken zijn. En het brood is knapperig, heerlijk vers.”
Ze keek naar het bord van haar man, waarop een tosti blauwkaas lag.
“Hoe is jouw eten?”
“Ook lekker.”
Zwijgend concentreerden zij zich op het voedsel, ze hadden er lang op moeten wachten na haar speciale verzoek. Na een paar happen keek ze om zich heen. De terrassen op de markt waren afgeladen vol, en overal liepen mensen met boeken te sjouwen. Met een glimlach keek ze naar haar eigen tas. Een Engelstalige fantasy trilogie -hoewel haar boekenkast nu al uitpuilde- en een dun boekje over Audrey Hepburn. Het zou goed passen bij het grote schilderij.
Even keek ze aandachtig naar haar spiegeleieren, schudde haar hoofd en plukte toen de takjes munt uit het theeglas.
“Die bijen hier zijn niet echt slim,” merkte ze op, terwijl ze nog een hap nam, “die zoemen rond de nepbloemen hier op tafel.” Haar man glimlachte en nam een slok van zijn biertje.
Hoewel de bank er uitnodigend uit zag, was de rugleuning zeer oncomfortabel. En ze was al gebroken door het slenteren over de jaarlijkse boekenmarkt.
“Zullen we afrekenen en dan nog wat door Dordrecht lopen?”
“Is goed,” zei zij, “even wachten, ik ben zo terug.”
Hand in hand liepen ze door de stad. Er kwam maar geen eind aan de boekenkramen die het centrum deze dag hadden overgenomen, maar ze had er geen oog meer voor. Haar kleingeld was zo goed als op, dus ze was veilig. Of beter gezegd, haar huis was veilig. Als ze haar gang ging, dan stonden de boeken zelfs in de vensterbank. Ze lachte in zichzelf. Daar hadden ze immers al gestaan, maar dat ging zelfs haar geduldige partner te ver.
De eerste tekenen kondigden zich al vaag aan. Ze deed ze af als inbeelding, als paranoia, maar tien minuten later parelden zweetdruppels op haar voorhoofd. Ze voelde zich misselijk, en naast haar rug deed nu ook haar buik zeer.
“Als we snel zijn, halen we de trein van vijf voor vier nog.”
Toen ze niet antwoordde, keek haar man even opzij. Hij zag haar bleke gezicht, voelde haar vingers om zijn hand knellen. Alle gedachten aan treinen en vertrektijden verdwenen naar de achtergrond.
“Gaat het nog?” vroeg hij bezorgd?
Ze schudde haar hoofd en liep door, steeds sneller.
“Het kost 50 cent”, zei hij, “en ik heb geen muntgeld.”
Al lopende viste ze haar portemonnee uit haar handtas. Op het station liepen ze meteen door naar het perron, waar de deur gehoorzaam openging na het offer van haar laatste muntstuk. Met een grimas ging ze het toilet binnen. Net op tijd.
Roomboter…

foto: Pixabay
Lieve mensen van restaurants, lieve obers en koks. Willen jullie alsjeblieft goed luisteren naar mensen met een voedselallergie? Ze moeten erop kunnen vertrouwen dat wat ze eten, ook echt veilig is.
Mijn verhaal over HONDEN in zes woorden:
HOI HOND.
SNUFFEL.
AGGUT, LIKKIE, LIKKIE!
klik voor details
Geen fictie dit keer, maar werkelijkheid.
Vanmorgen breng ik mijn auto naar de garage, voor de tweede keer in twee weken. Er zit een snerpend gepiep in dat zich alleen laat horen als de monteur er niet bij is. Maar dat terzijde.
Op weg naar huis geniet ik te voet van het mooie landelijke plaatje, maak een foto van de paarden in de wei. Een vrouw met een Airedale terriër komt me tegemoet en zoals altijd kan ik me niet bedwingen. Met een zonnig “Goedemorgen” groet ik de vrouw en wend me dan tot haar viervoetige metgezel. “Hoi hond”, zeg ik. De hond snuffelt goedmoedig aan mijn vingers en likt dan mijn hand.
De vriendelijke vrouw kijkt vol verwondering toe en roept dan uit “Aggut, likkie likkie!” Het duurt even voordat mijn hersenen die drie woorden verwerkt hebben. Met een grijns loop ik door. Likkie likkie…
Ik verzin het niet. Geen babypraat, maar hondenpraat.
Er was eens een dame uit het zuiden
die adoreerde de zon, naar verluidde
zo zat zij heel parmant
langdurig aan de waterkant
sloeg waarschuwingen in de wind
.
Ze bakte, braadde, zoog zich vol met stralen
maar begon op enig moment toch wat te balen
haar perzikhuidje knetterde
haar geteisterd vel etterde
wat jammerde ze, het arme kind
.
De zonaanbidster klaagde kommer en kwel
wie redt me, helpt me, kom dan, snel
maar het was heel laat
en je weet hoe het gaat
Haar redder in spe was reeds naar huis
.
Hulpeloos droogde zij steeds verder uit
eerst sneuvelden haar handen, dan haar kuit
versteende torso brak in twee
nam hoofd en schouders met zich mee
alleen haar romp en benen bleven kuis
.
Zo ligt de dame daar voor altijd versteend
haar klaagzang verstomd, haar stem verweend
de moraal moge duidelijk zijn
teveel zon is niet echt fijn
bezint eer ge begint!

Pap, dit gedicht is voor jou! 😉 ❤
Gisteren bezocht ik mijn ouders in Hoensbroek. In het huis in de header-foto speelde mijn vader als vijfjarige. Hoe bijzonder was het om daar samen te wandelen. Het terrein is overgelaten aan de elementen, en de omgeving is inmiddels veranderd in een prachtig natuurgebied. Met altijd op de achtergrond het indrukwekkende Kasteel Hoensbroek.
Het was een dag met een zonnetje!