~
nietige distel
je bent adembenemend
prachtig van nabij
~
– klik op de foto voor de volledige grootte –
________________________________________________________________
________________________________________________________________
Het ontbijt is de belangrijkste maaltijd van de dag, zo zegt men: nodig om het energiepeil weer op te krikken voor de dag die voor je ligt. Maar zeg eens eerlijk: heb jij doordeweeks wel tijd om ’s ochtends uitgebreid te malen?
Bij mij verschilt het van dag-tot-dag. De ene keer drink ik jus d’orange en eet een rijstwafel of cracker voordat ik naar mijn werk rijd, de andere keer neem ik wat meer tijd voor een bakje muesli met yoghurt, kiwi of ander fruit en extra walnoten. In het weekend ontbijten we uitgebreider: een broodmaaltijd met vis of een omelet. Heerlijk.
Sinds kort heb ik een andere manier van ontbijten ontdekt: smoothies, en dan met name groene smoothies. Een aantrekkelijke manier om lekker, gezond en snel te eten. Je giet het gewoon naar binnen!
Groene smoothies bestaan uit groenten, fruit en een vloeistof (zoals water of vruchtensap, eventueel yoghurt of melk). En het enige dat je hiervoor nodig hebt is een blender, een scherp mes en een snijplank.
Om een rijke smoothie te maken, begin je met banaan, mango, perzik, peer, appel of papaya als basisfruit. Je kunt dit aanvullen met bijvoorbeeld:
Maar andere combinaties zijn ook mogelijk. Mix deze ingrediënten in de blender tot een romige drank. Voeg vervolgens groenten toe – dit is niet perse noodzakelijk, maar wel aan te raden:
Je kunt het zo gek niet verzinnen of het kan, mits je het lekker vindt natuurlijk! De verhouding is meestal 60% fruit en 40% groenten, maar je kunt dit zelf aanpassen. Vind je de smoothie niet zoet genoeg, doe er dan dadels, pruimen of een extra banaan bij.
Mijn favoriet tot nu toe:
Vanmorgen heb ik een smoothie gemaakt van water, appel, pruimen, bleekselderij en een beetje kervel, gewoon omdat ik die al in huis had. Het smaakt verrassend origineel en puur – waarbij het fruit de smaak van de groente verzacht – en ik vind het heerlijk. Bovendien krijg je op deze manier gemakkelijk de aangeraden twee ons groenten en twee stuks fruit per dag naar binnen, waarschijnlijk nog meer. Ook hoop ik dat de smoothies een gunstig effect hebben op mijn hypoglycemie.
Cheers!
Ik heb een aantal websites gevonden met allerlei recepten, maar ik zal er in de loop van de tijd hier ook nog zelf publiceren.
PS. Het is herfstvakantie, dus geen Avans column deze week. Ook al is die wel al klaar.
Halloooooooooooo? Mijn stem schalt door het huis als ik thuis kom van het werk, in de hoop op een echo in de verte. Twee bromstemmen geven antwoord. Yes! Mijn jongste zoon is ook thuis. In augustus is hij uitgevlogen naar een studentenhuis bij Maastricht. Samen met twee vrienden uit ons dorp en nog drie andere jongeren vindt hij inmiddels zijn weg in het studentenleven. Twee aan twee koken voor de zeskoppige huisploeg. Samen aan tafel in de grote keuken. Een beetje opruimen en poetsen. Met de trein of fiets naar de universiteit. En natuurlijk ook studeren. Het gaat goed met hem!
In Uitvlucht beschreef ik wat ik voelde bij de gedachte dat Sean het nest ging verlaten. Gelukkig blijkt het allemaal best mee te vallen. We houden contact via Skype, via WhatsApp en sms’jes. Bellen doen we niet vaak, dat vindt hij niet zo prettig. En gelukkig woont Nick nog thuis, al moesten we wel allebei wennen aan de andere positie aan de eettafel. En de gewijzigde hoeveelheid voedsel.
Maar nu is mijn jongste weer even thuis! Zijn lange lijf holt bij me weg als ik hem een knuffel wil geven. In de hoek van de keuken weet ik hem te pakken te krijgen, onder luid protest – maar dat klinkt niet echt heel serieus. ’s Avonds zitten we met zijn vieren – mijn partner is ook gearriveerd – rond tafel aan de Chinese maaltijdsoep. Met omeletreepjes, taugé, uitjes en ketjap als garnering. Het smaakt goed en de gesprekken zijn even dwaas als voorheen.
Het is wel een hele toer om alle agenda’s goed op elkaar af te stemmen. De jongens gaan regelmatig naar hun pa. En daar is ook nog V-man’s huis, dat bewoond wil worden. Ieder weekend is het afwachten hoe de afspraken lopen.
Niet alleen mijn oudste zoon en ik zijn blij als Sean thuis komt, maar ook zijn grote kleine behaarde vriend, Bandit. Al gedraagt die zich in het begin als de beledigde onschuld, verontwaardigd door zijn baasje’s afwezigheid. Al gauw echter spint katerkop als een razende: hij heeft zijn vertrouwde plekje weer kunnen innemen: op bed, warm en knus weer verenigd met zijn jonge meester. De vogel was gevlogen, maar deze kater heeft hem inmiddels weer weten te vangen. Al is dat maar van korte duur.
Allemaal een heel fijn weekend. Is jullie volière ook weer gevuld?
~
Hoi hond, wat doe jij hier
volgens mij heb je veel plezier
zo in je eentje, vrij en los
~
Ik wou dat je van mij was
renden we samen door het gras
en gingen we altijd naar het bos
~
Zeg schavuit,
je steekt je tong naar mij uit
volgens mij lach je van binnen
~
Spring maar, sluip en speel
kom dan hier voor een knuffel en streel
want mijn hart hoef je niet meer te winnen
~
Een zacht muziekje op de achtergrond, met daar bovenuit de woorden
Marion, ik ga je nu achterover leggen.
Oké, jij bent de enige die dat mag zeggen,
reageer ik.
Anja, wil jij even weg gaan? Ze wil alleen met me zijn.

We lachen alle drie. Door de zenuwen grijp ik iedere afleiding aan om het moment suprême uit te stellen en flap er de gekste dingen uit. Het is alweer een half jaar geleden dat ik voor het laatst in deze stoel lag. Mooi zachtgeel is hij, met een comfortabele uitholling voor mijn hoofd. Maar of ik nu op luxe leder lig of op beton, het maakt me niet uit. Ik voel er niets van. Als één brok spanning lig ik te wachten op wat komt.
De tandarts – een kunstige super vergrotende bril op zijn neus – kijkt grijnzend op me neer en zegt dat het ook altijd hetzelfde is met mij. En ik lach met hem mee, een valse lach. Want ik wil alleen maar weg, weg van die dreigende rij met instrumenten die zich boven mijn borst uitstrekt.

Eerst maar eens foto’s maken. Een plaatje van 10 bij 10 cm. wordt voorzichtig in mijn mond gemanoeuvreerd. Natuurlijk is het veel kleiner, maar volgens mijn keel scheelt het niet veel. Gelukt! Nu de andere kant nog. Weer ontkent mijn lijf het nut van deze actie.
Er zitten scherpe kanten aan hè?
zegt de tandarts meelevend. Ik ontken woordeloos, daar ligt het niet aan. Als ook die foto klaar is – en alles is nog goed ook! – ontspan ik voor het eerst een beetje.
Nu de rondgang met spiegel en haakje, prima te doen. Dan het schoonmaken met een mechanisch apparaat, waar een straaltje water bij te pas komt. Water dat zich verzamelt in mijn wang. Dreigt te overstromen. Mijn bebrilde behandelaar hangt een afzuigslangetje in mijn mondhoek. Wat een geweldige man!
Anja, de assistente, beantwoordt intussen een telefoontje van een andere patiënte, die een dikke wang heeft van een ontsteking. Ik volg het gesprek met belangstelling, afleiding hè. Dan richt ze haar aandacht weer op mij en schuift ook nog eens een dikker slurpapparaat in mijn mond. En dat is wat teveel van het goede geloof ik. Ik worstel en kom boven, half dan, want beide tanddeskundigen houden van schrik op met wat ze aan het doen zijn. Gelukkig, even pauze.
Gaat het weer een beetje?
Ik haal diep adem, slik, knik en ga weer liggen.

Het afzuigslangetje wordt uit mijn mondhoek verwijderd en we gaan weer verder. Polijsten nu, met een apparaat waarmee ze stoeptegels vasttrillen, maar dan met een mintsmaakje. Het gaat absoluut de goede kant op. Tot hij bovenin aan de gang gaat en ik kokhalzend om me heen grijp. Twee paar ogen kijken me verbijsterd aan.
Volgens mij is mijn keel te kort of zoiets,
brabbel ik.
Vroeger als kind mocht de huisarts ook al niet in mijn keel kijken, de spatel vloog dan door het huis heen.
Ze knikken begrijpend, maar snappen er duidelijk niets van.
Geef haar maar een bekertje water, zodat ze zelf haar mond kan spoelen. Laten we het maar niet hier in de stoel doen, dat vind ze vast ook niet fijn.
Twee minuten later sta ik als een klein kind mijn mond schoon te wassen boven de wasbak. Maar dat doet me niets: alweer heb ik mijn halfjaarlijkse controle overleefd. 😉
Het St. Janscollege bestaat 65 jaar. En ondanks verwoede slooppogingen van leerlingen door de jaren heen, is het onverwoestbaar gebleken. Ter ere van dit heuglijke feit worden alle oud-leerlingen iedere vijf jaar opgeroepen om zich te verenigen. Zo ook dit jaar.
In 2007 ben ik voor het eerst naar de reünie van mijn middelbare school gegaan. Mijn zus, die nog in Zuid-Limburg woont, attendeerde mij erop. Kom je ook, zei ze, het wordt vast erg leuk! Nu heb ik een probleem. Geen groot probleem, maar wel gênant: ik heb een geheugen als een zeef. Eigenlijk meer als een vergiet. Ik onthoud de gekste dingen, kan me woordelijk conversaties voor de geest halen, herken plaatsen waar ik ooit geweest ben – geen idee hoe de plaats heet, maar puur visuele herkenning – en weet onzinnige dingen. Maar namen vergeet ik.
Literatuurexamen, mondelinge boekbesprekingen. Ik las tientallen boeken, van voren tot achter… en kon me bij het examen de naam van de hoofdpersoon niet meer herinneren. Met geen mogelijkheid. Ja, na het gesprek, als het te laat was. Dan kwam de naam weer boven drijven en sloeg ik me voor mijn hoofd. Hoe kun je die nou vergeten na 400 pagina’s meegeleefd te hebben? Het gebeurt gewoon, de namen kruipen in een laatje in mijn hoofd, soms zelfs complete mensen, en piepen weer tevoorschijn als het niet meer hoeft. En dan ga ik naar een reünie. Dat is vragen om problemen.
Gelukkig ging oud-klasgenoot Wil met me mee. Ik pik hem op in Weert. Hem herinner ik me heel goed. Het klikte destijds, en het klikte nu ook. Geen spat veranderd, zeg je dan. En dat klopt. Wel wat ouder, maar nog steeds die vertrouwde, eigenwijze vent van toen. Die avond spreek ik veel mensen. Oude schooltijden herleven, maar dan met een glas bier of wijn en de effecten van een tijdmachine die onze lichamen veranderd heeft. Het is reuze gezellig en het gaat allemaal prima. Wat is het leuk om alle verhalen te horen van oude vrienden die je in geen jaren hebt gezien of gesproken. Te ontdekken hoe hun leven zich heeft ontwikkeld. Wil loodst me door de menigte heen en ook mijn zusje helpt en fluistert namen in mijn oor. De meesten herken ik moeiteloos en ik krijg weer wat vertrouwen in mijn geheugen.
Tot ineens iemand voor mijn neus staat die me vaag bekend voorkomt.
Hoooooooooooiiii,
zegt hij heel enthousiast,
wat ontzettend leuk je te zien, Marion! Wat is dat lang geleden zeg, veel te lang. Hoe gaat het met je?
Hoi. Oh, goed hoor, en met jou?
zeg ik, me wanhopig afvragend wie dat nou ook alweer is. Mijn brein werkt op volle toeren. Als hij de ongetwijfeld wazige blik in mijn ogen ziet, roept hij verontwaardigd uit dat ik toch hopelijk nog wel weet wie hij is?!
Eeeeeh… help?
Er is echter geen helpen aan.
Dat meen je niet, hoe kan dat nou?! We hebben zelfs nog staan te ZOENEN!!!
Ik verslik me bijna in mijn drinken.
ECHT NIET!
Nou, echt wel dus. Het begint me langzaam te dagen. Paul, dat is Paul. Vage beelden van een avond bij de voordeur van mijn ouders’ huis zeilen over mijn netvlies. Omstanders lachen zich kapot en ik gooi de inhoud van mijn glas wijn in één keer naar binnen, een blos op mijn wangen. Yep, reünies zijn prima voor mij.
En dan nu het 65-jarige bestaan. Maanden geleden de bijdrage betaald en aangemeld via de site, de berichten op Facebook volgen en sms-contact over en weer met mijn zus, en ook met Wil. Want die gaat weer mee, een keer in de vijf jaren moeten we contact houden. Ik word wakker met een drukkend gevoel aan de linkerzijde van mijn schedel. Met een licht gebonk achter mijn linkeroog. Migraine, opzouten! Niet aan denken, gewoon negeren. Maar het mag niet baten, misselijk en ellendig neem ik een tablet in. Daar word ik nog ellendiger van, maar soms gaat de hoofdpijn weg.
Rond half twee stap ik in mijn Kaatje en kar door Breda om aan de oostkant de snelweg op te schieten, richting Tilburg. Ik schiet zo’n tien kilometer door en zie dan onheilspellende getallen flitsen boven de rijbanen. Flitsen en migraine zijn aartsvijanden. Files en migraine trouwens ook. Het verkeer stremt en staat stil. Auto’s laveren van rechts naar links om sneller vooruit te komen, maar het mag niet baten, we staan stil. Na een half uur bel ik mijn moeder om te vertellen dat ik drie uur niet ga halen. Een parkeerhaven verder bel ik weer – inmiddels is een uur verstreken – en kan ik wel janken. Mijn hoofd bonkt, de zon brandt, de auto’s en de vrachtwagen voor me ronken stationair. Maar ik moet door, ik heb beloofd dat ik naar de reünie ga! Mijn oud-klasgenoten wachten op me. Misschien zal ik nog meer ex-vriendjes niet herkennen!
Weer een half uur en vijfhonderd meter verder spreek ik een bericht in op Wil’s gsm. Dat ik de eerste de beste afslag ga nemen en terug naar huis rijd. Hij belt terug en van pure opluchting begin ik nu echt te huilen. Wat een ellende. Een bed is wat ik wil, en geen stilstaand blik op de A58! De snelweg is compleet afgesloten, vertelt Wil me, ga er maar gauw af. Dat ‘gauw’ wordt een uur uur later. Begeleid door mijn telefonische ridder in nood komt eindelijk de verlossende afslag – waar trouwens iedereen van de snelweg wordt geleid – en vervolg ik de weg naar links tot ik het bord ‘Breda’ zie. Als een haas schiet ik de snelweg weer op en trap het gaspedaal in. In totaal drie uren. DRIE uren gereden over 58 kilometer. En nog geen meter verder dan waar ik die ochtend was.
Mijn reünie bestaat dit jaar blijkbaar slechts uit een paar telefoongesprekken, constant onrustig rondspeurend naar politie. Al kon je het niet echt ‘bellen tijdens het rijden’ noemen. Knappe Officier van Justitie die dat argument van me zou winnen.
’s Avonds stuurt mijn zus me een foto. Mijn jaargenoten missen me. Nou, ik mis hen ook! Reünies zijn niet goed voor me. Maar over vijf jaren ga ik weer! Geen snelweg die me dan tegenhoudt.
Ga jij wel eens naar een reünie van je middelbare of andere school? En hoe vind je dat?
Het is nog geen acht uur als ik de hogeschool binnen loop. Tafels, stoelen en banken staan nog uit te puffen van de vermoeienissen van gisteren. Een team van schoonmakers is druk bezig om het gebouw klaar te maken voor een nieuwe dag. Het ziet er dan ook netjes uit, op een Twix wikkel na – helaas zonder inhoud. Iemands zoet ontbijt.
Een paar uur later kom ik weer beneden en blijf stil in de deuropening staan. Het is een drukte van belang. Grote en kleine groepen studenten zitten geanimeerd met elkaar te praten, lachen, of turen op hun smartphone. Of doen alle drie tegelijk. Het stemgeluid weerkaatst veelvuldig tegen de gekartelde overkapping. Een enkeling zit in een hoekje en concentreert zich op het scherm van zijn laptop. Broodjes van de catering liggen gebroederlijk naast van thuis meegebrachte boterhammen. Terwijl de een komkommer eet, hapt de ander in een kroket, weggespoeld met koffie en energiedrank. Populaire pepmiddelen om de middag te doorstaan.
Als het einde van de pauze nadert, staan de studenten op en gaan gehaast op weg naar hun les. Wat achterblijft is een puinhoop. Wat net nog een knapperig broodje, belegd met kaas, sla en tomaten was, is nu een afgeknaagd en afgedankt overblijfsel. Ernaast ligt een lege PET fles. Vegen mayonaise en een waas van kruimels maken de tafel voor anderen onbruikbaar. Op de buurtafel ligt een vettig kartonnen bordje, een blikje Red Bull en natte servetten. Het is een grote bende.
Welkom in het na-de-lunch-atrium van Avans.
Op weg naar boven struikel ik bijna over een papieren beker waar nog koffie in zit. Zomaar op de trap achtergelaten. Zomaar neergezet. Ik hoef niet meer, weg ermee, ben ik er mooi van af. De anderen zoeken het maar lekker uit! Dat is toch niet normaal?! Ik buk me op de beker op te pakken. Oh maar dat hoef je niet te doen hoor, dat doen de schoonmakers wel… Met opgetrokken wenkbrauwen kijk ik de spreker aan en grijp het bekertje in het nekvel.
En dan kom je bij je eigen academie, waar een vrolijke sfeer hangt: er zijn jarigen. Vlaaien, slagroomsoesjes, het is feest. Geweest. Wat rest is een aanrecht met stapels bordjes, vorken en bekers. En een verdwaalde soepresten-kom van de vorige dag. Ik probeer het te negeren, echt waar. Negeren die hap. Je wast toch altijd netjes je eigen dingen en nog veel meer af? Nou, nu is het tijd voor iemand anders.
Maar als de troep er de volgende dag nog staat houd ik het niet meer uit en begin driftig vaatwerk in heet sop te gooien. Troep nodigt immers uit om er nog meer troep bij te zetten. Ik ga niet echt zachtjes te werk, ze mogen horen dat ik het er niet mee eens ben. En nee, dit is geen werkje voor de dames van de catering, die hebben genoeg aan hun eigen werk. Ook via de directie heb ik al vaker aandacht gevraagd voor het opruimen van de pantry. Het helpt even, maar dan sluipt het nalatige gedrag er weer in. ‘Opruimen doet een ander wel.’
Ditzelfde geldt trouwens ook voor de klaslokalen. En dan heb ik het niet alleen over afval, maar ook over de populaire lokalen make-overs. Regelmatig wordt het meubilair op een creatieve wijze herschikt, zodat degenen die erna les hebben, eerst vijf minuten bezig zijn met de verbouwing weer terug te draaien.
Is dit het gedrag dat we willen zien in Nederland? Moeten we deze gewoonten tolereren? Moeten andere mensen ONZE troep achter onze eigen kont opruimen? Is dat de maatschappij waarin wij willen leven? Nou, ik niet! Dit moet toch anders kunnen. Laten we er nou gewoon met zijn allen op letten. Als we gegeten hebben, kunnen we best ons eigen afval even opruimen – of je nou student, docent of decaan bent. Afvalbakken zijn er genoeg. En onze vaat afwassen of op de juiste plek deponeren. Spreek elkaar aan op vervuilend gedrag en geef het goede voorbeeld.
Het is toch ONZE hogeschool?!
________________________________________________________________
Wat kunnen wij er aan doen om dit te verbeteren? Als groep, als individu? Het lijkt me erg interessant om jouw mening, ideeën en eventuele suggesties en opmerkingen te horen!
~
op een stage lang gelee’
in Terheijden
liep ik mee
op de kinderboerderij
~
toen een kleurrijke rakker
dacht, mijn hemel
een stakker
die moet weg uit onze wei
~
met ferme pas en snavel
viel hij aan
‘Mijn kavel!’
gaf niet op totdat hij won
~
bedrieglijk zachte veren
hebben mij toen
doen leren
hoe hard ik rennen kon
~
gekakel bleef mij volgen
tot met schaamrood
verbolgen
ik een bezem nam ter hand
~
resoluut weer de wei in
vogel vluchtte
niet zijn zin
joeg hem over het hele land
~
Sindsdien heb ik ontzag
voor wat kraait
met een lach
maar kom niet dichterbij
~
Sloot een pact zonder haat
met zanger der
dageraad:
‘Jij de kip, ik het ei!’
~

Vijfhonderd kilo staal, stof, vlees en bloed. En zweet. Vooral veel zweet. Dit alles dendert voort op twee stroken rubber. Nou ja, dendert… balanceert in een haarspeldbocht is correcter. Een grote vrachtwagen komt kreunend naar beneden en versmalt de weg aanzienlijk. Het is warm, heet zelfs. Ik ga maar weer eens verzitten, zodat andere delen van mijn zitvlak belast worden. Het druppelt in mijn helm. De broek plakt aan mijn benen en het broeit in mijn jas. Motorvakantie in Italië. Van buiten is het net zo warm als van binnen.
Dan hoor ik een zoemend geluid links achter me. Vanuit mijn ooghoeken zie ik een andere motor aan komen. Soepel draait hij door de bocht en fladdert voorbij. Ja, fladdert. De slippers wiebelen, de short plooit zich rond bruinverbrande benen en het shirt ziet er zo koel uit dat ik op slag jaloers word. Hij heeft nog nét een helm op en raast in een noodgang vlak langs ons. Het ziet er zeer aanlokkelijk uit en ik wil ter plekke ook de kleren van mijn lijf scheuren. Maar de koude rillingen bij de gedachte aan wat zou kunnen gebeuren als hij zou vallen, zorgen voor ogenblikkelijke verkoeling. Mijn jas blijft aan.
We zijn met de autotrein van Düsseldorf naar Alessandria in Noord-Italië geboemeld en rijden vandaaruit naar Florence. Deze prachtige stad is een warm bad, waar je ondergedompeld wordt in een mix van oude gebouwen, cultuur, een vriendelijke sfeer en zinderende hitte. Gelukkig zorgen de vele terrasjes voor vloeibare verkoeling. Wat is het leuk om mensen te kijken. En te ontmoeten! Het ene B&B is nog aantrekkelijker dan het andere en de contacten met de gastgezinnen zijn hartverwarmend. Ze verwennen je met zelfgebakken brood, gebak en jam en in Frankrijk met een diner dat wat mij betreft vijf sterren verdient.
Het voor- én nadeel van een motorvakantie is dat je niet veel kunt meenemen. De kleine zadeltassen zijn gevuld met regenpakken, schoenen en toiletspullen. Een tasje om de nek en een grote tas achterop zijn de enige opbergmogelijkheden voor twee personen voor ruim twee weken toeren. Maar het is genoeg: een korte en lange broek, wat shirts, een jurk en wasmiddel is eigenlijk alles dat je nodig hebt op een zonvakantie. De e-reader, die ik als een van de eerste dingen heb ingepakt, heeft ook prima diensten geleverd. Stel je een tuin voor met een boomgaard waar de peren en druiven bijna in je mond vallen. Op de achtergrond tsjirpt een krekel-orkest en rode wijn glinstert in je glas. De avondzon werpt een gouden licht op je boek…
… en dan word je belaagd door tijgermuggen. Hordes akelige bijtgrage muggen die blijkbaar zeer te spreken zijn over mijn bloed. De builenpest is er niks bij. Wat een rotbeesten zeg. Koeien dragen trouwens bellen in Zuid-Europa en zouden veel voordeel hebben bij poten van ongelijke lengte. Open heuvellandschap wordt afgewisseld met uitgestrekte bossen in nationale parken, waar je alleen een verdwaalde fietser tegenkomt. Hoe anders dan in ons kleine Nederland.
Het is ook een andere cultuur. In de basiliek houdt een betaalde voyeur nauwlettend de vrouwelijke bezoekers in de gaten: bij teveel bloot been en/of schouder moet er onverbiddelijk een blauwe crêpepapieren poncho overheen. Een ingeblikte stem weergalmt door de kerk: Silenzio! De opname maakt meer lawaai dan het publiek en ik houd het al snel voor gezien. Bij een parkeergarage herkent het systeem de motor niet en krijg ik na vijf minuten via de praatpaal in het Italiaans te horen dat deze alleen voor auto’s bestemd is – een plasje smeltwater ligt inmiddels aan mijn voeten. In Greve zijn we getuige van een kerkmis die buiten wordt gehouden; hele straten worden er voor afgezet. De eenvoudige houten banken zijn goed bezet.
We leggen drieduizend kilometer af langs zonnebloemen en ronde strobalen, historische stadjes en cipressen, beklimmen de hoge Bernard pas, trotseren wind en sneeuw, kiezels en kuilen, rijden door Italië, Zwitserland, Frankrijk en België zonder kleerscheuren. En dan zwik ik van een drempel van vijf centimeter hoog en beland met een dreun vol met mijn rechterknie op de granieten vloer. Een motorvakantie is gevaarlijk, mensen! Veel gezien, veel meegemaakt, veel… te kort!
Maar we moeten weer terug in het gareel. Het nieuwe studiejaar is immers weer begonnen. De herkansingsweek in volle gang. Een migratie van de studentenmail zorgt ervoor dat onze studenten niet meer bij hun (oude) berichten kunnen. De koppeling tussen landelijke en hogeschool systemen is verstoord. Ja, het begint alweer prima. Eindelijk weer wat actie in de tent. Dat wordt weer zweten.
De trein spoedt zich oostwaarts. Enigszins benauwd vraag ik aan mijn vriend of het toch niet zoiets is als de Huishoudbeurs. Hierop word ik hartelijk uitgelachen. Juist ja. Ik waag het er maar op: we gaan naar de Floriade in Venlo. Een strak blauwe lucht trilt boven het theater van de natuur en ik laat me meetronen door de menigte. Eenmaal binnen zie ik kleuren. Kleuren van bloemen, kleuren van taal en van mensen. Het wordt een prachtige, zonovergoten dag.

De Wereld Tuinbouw Expo heeft vijf aandachtsgebieden:
Maar ik heb mijn eigen indeling.
Mensen:










Kunstigheden:
Dieren:
En natuurlijk bloemen, bloemen en nog eens bloemen. Zoveel bloemen dat ik een extra batterij nodig heb voor mijn camera. Hier een bloemlezing:






















Een bijzondere belevenis is de Earthwalk. Een schuin oplopend pad slingert zich rond een grote halve aardbol omhoog waarin een film wordt vertoond. Onder je voeten. Je gaat met zijn allen op een (hoop ik heel) dikke glasplaat staan en kijkt op hoog niveau naar het schouwspel dat zich afspeelt met jouw neus er bovenop. Enige bestendigheid tegen hoogtevrees is gewenst, maar het is niet echt eng. Wat ik wel verontrustend vind is het lichte gekraak van het bouwsel. Ik moet mijn fantasie strak in de hand houden, wil ik rustig blijven staan. Alweer word ik uitgelachen 😉

Je kunt hieronder door een groot formaat foto’s heen bladeren door op het eerste plaatje te klikken.
Of laat je ogen verwennen zonder te klikken:
Heb ik teveel beloofd? Adembenemende schoonheid in het klein. De Floriade 2012 is zeker de moeite waard. Geopend van 5 april tot en met 7 oktober as.